Tempo

Als verteller kun je spelen met tempo. Door te versnellen en te vertragen kun je aansluiten bij de spanning in het verhaal. Dan heb ik het over spreektempo. Het aardige is dat je in de tekst van het verhaal ook met tempo kunt werken. In gedichten vind je mooie voorbeelden. Neem het gedicht “Het was zomerdag“, van Nijhoff. De loomte van een warme zomerdag wordt in het tempo van het gedicht voelbaar gemaakt:

Het was zomerdag.
De doodstille straat lag
te blakeren in de zon.
Een man kwam de hoek om.
Er speelde in de verte op de stoep
een groep kinderen, maar die groep
betekende niet veel,
maakte, integendeel,
dat de straat nog verlatener scheen.
De zon had het rijk alleen. […]

Ook versnelling kan al in de tekst worden aangebracht. Paul Biegel bijvoorbeeld gebruikt vaak opsommingen. Deze komt uit het verhaal Mol en Krol:

Hij trok Krol mee, terug in het gat, tijd om het dicht te gooien was er niet, struikelend over de papegaai, de oorijzers, het spinnewiel, het verdrietige kind, de juwelen, het servies en de hangklok verdwenen ze in het gangenstelsel, kruipend en hijgend en verdwalend tot ze niet meer konden en als verlamd neerzegen.

Verhalen maken is meer dan het doen van een feitelijk relaas. Gevoel voor tempo kan een verhaal nog een extra schwung geven.

Dit bericht is geplaatst in schrijven, schrijver. Bookmark de permalink.