Letterlijk

Momenteel werk ik aan een aantal verhalen die ik binnenkort bij diverse gelegenheden ga vertellen. Sommige leer ik woord-voor-woord uit mijn hoofd. Sommige verhalen móet je gewoon letterlijk vertellen. Neem de dierenverhaaltjes van Toon Tellegen. Ik vind dat je daar niets aan mag veranderen. De taal waarin ze geschreven zijn is in zijn eenvoud en beknoptheid haast poëzie. Als je deze als verteller niet uit je hoofd kunt leren, lees ze dan liever vóór.
In dit stukje ga ik in op redenen waarom je een verhaal niet letterlijk zou moeten vertellen en op wat risico’s die je loopt als je het doet. In een volgend stukje meer over wat het op kan leveren om een verhaal uit je hoofd te leren.

Natuurlijk is het even stampen om een verhaal letterlijk uit je hoofd te leren, maar dat went. Als je het vaker doet, gaat het makkelijker.
Wat ik al meer een bezwaar vind van letterlijk vertellen is dat het je kan beperken. Doordat je je letterlijk aan de tekst moet houden, heb je niet de flexibiliteit om in te kunnen spelen op wat er op het moment van vertellen gebeurt. Zo vertelde ik ooit een verhaal waarin een reiziger een kasteel naderde waar feest werd gevierd. Op dat moment ging in het publiek een telefoon. Ik had gelukkig de alertheid om de reiziger niet alleen maar vuurwerk laten zien, maar ook muziek laten horen. Zoiets is natuurlijk lastiger als ik me aan een vaste tekst met alleen vuurwerk had moeten houden. Maar het kan wel. Vertellen is méér dan alleen de tekst opzeggen. Houding, oogcontact, pauzes, gelaatsuitdrukking geven je ook de mogelijkheid om te reageren op wat er op het moment van vertellen gebeurt.

Letterlijk uit je hoofd vertellen kan ook misgaan als je niet los kunt komen van de tekst. Beginnende vertellers die een verhaal letterlijk vertellen, vertellen het nogal eens alsof ze het voorlezen. Terwijl ze vertellen zie je hun ogen bij wijze van spreken over het papier glijden waarvan ze de tekst hebben geleerd. Ze kijken wel in de richting van het publiek, maar zíen het niet. Voor het publiek is het vervelend om iemand voor zich te hebben die ze glazig aanstaart zonder contact te maken. Voor de verteller is het risico groot dat hij niet openstaat voor wat er op het moment van vertellen gebeurt, omdat hij ‘in zijn hoofd’ zit. Zelf maakte ik het eens mee dat ik zó op mijn tekst gefocust was, dat ik niet doorhad dat er een vliegtuig heel laag overvloog – en ik een aantal zinnen onverstaanbaar was voor het publiek. Toen ik er naderhand op gewezen werd, geloofde ik het niet. Maar het was echt zo.
De les is natuurlijk dat je niet alleen de tekst uit je hoofd moet kennen, maar dat je ‘m zó goed moet kennen dat je er niet meer over hoeft na te denken. De tekst moet er vanzelf uitkomen, zodat jij er als verteller mee kunt gaan spelen en weer open kunt staan voor wat er om je heen gebeurt.

Dit bericht is geplaatst in improvisatie, presentatie, publiek, verteller. Bookmark de permalink.