Zdenjek in bedrijf

Ik werkte ooit als interim-manager in een grote, hiërarchische organisatie. Meermalen verbaasde ik me erover hoe van bovenaf opdrachten werden gegeven die onuitvoerbaar waren. Soms omdat het niet duidelijk was wat de opdracht nu eigenlijk inhield. Soms omdat de consequenties als kosten en verantwoordelijken niet doordacht waren. Soms omdat de opdracht simpelweg onuitvoerbaar was. En ik verbaasde me erover dat de opdrachten elke keer toch ook weer werden aanvaard. Eerder schreef ik er al over.

Deze cultuur kwam geregeld ter sprake in de overleggen met mijn opdrachtgeefster. Ook zij wond zich er vaak over op. Bij mijn vertrek gaf ik haar een kopie uit het boek Haas – Zomer van Paul Biegel.
Hier gaat het over een mierenkoningin die aan een van haar adjudanten, Zdenjek, opdracht heeft gegeven tot uitbreiding van het rijk.

Zdenjek tekende zijn plan in de aangestampte vloer aan de voeten van hare majesteit.
‘Licht!’ riep de koningin. ‘Meer licht.’
Onmiddellijk werd een koker geknaagd, door het plafond naar boven, om de zon binnen te laten.
‘Niet zo breed, sukkels. Moet ik blind worden?’
Men vernauwde de koker.

De koningin is overduidelijk de baas en wordt stante pede gehoorzaamd.

‘Juist Zdenjek. Toon mij ‘s rijks uitbreiding.’
De adjudant wees. ‘Vier hoofdwegen, majesteit. Deze voert naar het westen, het is de oude weg die wij destijds volgden van onder de dennetjes naar hier.’
‘Niets nieuws dus,’ sprak majesteit. ‘De volgende?’

De koningin komt graag snel to the point en zet haar onderdaan daarbij zonder blikken of blozen op zijn nummer.

‘Eh noordwaarts majesteit. Hij volgt het tracé dat ons leger destijds heeft afge-‘
‘Zwijg Zdenjek…

De koningin heeft ook weinig geduld om alle informatie aan te horen.

… Trouwens wat moeten we daarginds?’
‘Gebied majesteit. U wilde gebied.’
‘Hm.’

En als ze er dan op gewezen wordt, dat datgene waar ze commentaar op heeft, oorspronkelijk óók haar opdracht was, wordt dit gevoeglijk doodgezwegen.

[…] Een zonnestraal viel precies door de koker naar binnen en maakte een lichtvlek […]
‘Hier,’ sprak de koningin, ‘precies hier wijst het hemellicht de plaats aan waar de tweede berg van ons rijk zal komen.’
Zdenjek draaide zijn kop. ‘Majesteit, u –’
‘Wij majesteit ja. Zorg dat een tweede berg daar gebouwd gaat worden, Zdenjek.’
‘Ja majesteit, dat is ten oosten terwijl de dennenaalden juist ten westen liggen en de sjouwweg dus tweemaal zo lang wordt als –’
‘Precies Zdenjek. En tweemaal zo hoog wens ik de berg. Organiseer het. Onmiddellijk.’
Zdenjek salueerde.

En als ze gewezen wordt op aanzienlijke praktische bezwaren, negeert ze die niet alleen, maar stapelt er nog wat extra onmogelijkheden bovenop. Beseft de koningin wel wat het werk eigenlijk inhoudt?

[…] ‘de grens majesteit, is één dagmars heen en terug. De versten keren pas bij donker in de berg weer. Verder kunnen wij niet.’
‘Het woord NIET haat ik, Zdenjek. Bouw bergen bij. Verre bergen, één in elke windhoek, dat wij verder dan ver kunnen…

Een leider met visie is waardevol, maar het helpt als ze dan ook zou inspireren en niet alleen maar haar commando’s blijft herhalen.

… Is de tweede gereed?’
‘Ja majesteit. De bouw is begonnen.’
‘Gereed vroeg ik.’
‘Ja majesteit. Nog niet.’

Als we op de werkvloer opdrachten niet mogen weigeren, dan worden we creatief. Dan gaan we de taal zo verdraaien dat we zowel naar de baas ja en amen zeggen, alsook naar onze collega’s kunnen blijven volhouden dat we echt hebben verteld waar het op staat.

De kaart die Zdenjek op de grond had getekend, is onbruikbaar geworden omdat andere mieren eroverheen hebben gelopen. De koningin wil hier echter niet van horen. Ze eist dat die ‘trippelwegen’ ook worden aangelegd:

‘[…] Jij bouwt die wegen.’
‘Maar ma –’
‘De A is goed Zdenjek. De A van ja, en niet de A van maar.’
De adjudant trilde nu. Zijn sprieten bogen gevaarlijk naar voren.
‘O ja?’ brulde hij, en het klonk tot boven in de berg zodat iedereen stilhield om te luisteren naar de heibel in het heilige der heilige. ‘O ja? […] Majesteit heeft altijd gelijk, is ‘t niet zo? En ik –’
Maar dit kan een mier niet. De vurige […] soldaat in Zdenjek had woorden naar buiten gestuwd die een ingeboren hiërarchie niet verdraagt. De majesteit der mieren hééft altijd gelijk en haar adjudant is alleen maar een gehoorzame uitvoerder. Bij de woorden ‘En ik’ uit Zdenjeks mond hield alles op; hij had zichzelf onmogelijk gemaakt, letterlijk, en zijn achterlijf krommend tot een hoepel richtte hij zijn zuurspuit in zijn eigen bek.

De tragiek van een dergelijke cultuur. Het is fysiek onmogelijk om ‘nee’ te zeggen, in opstand te komen en om de waanzin van de opdrachten aan de kaak te stellen.

Geweldig hoe Biegel dit in amper vier pagina’s beschrijft. De kracht van een goed gekozen metafoor.

Dit bericht is geplaatst in metaforen, passend, schrijver, verandering, zakelijk. Bookmark de permalink.