Poolse landdag

“Het moet geen Poolse landdag worden.”
Bij een klant waar ik werkte hoorde ik deze uitspraak maar wat vaak. Je zou denken dat het er daar efficiënt aan toe ging. Geen Poolse landdagen, dus kleine overleggen, korte lijntjes, snel schakelen – om al het jargon dat daar ook gebezigd werd er ook maar even in te gooien. Het was de bedoeling dat de organisatie echt ‘lean’ werd. Geen Poolse landdagen dus.
Maar niets van dat alles. De organisatie was groot, hiërarchisch en bureaucratisch en was dat al decennia lang. Poolse landdagen waren aan de orde van de dag. Bijna elke vergadering waar ik bij zat, werd bijgewoond door veel meer mensen dan er daadwerkelijk actief aan meededen. Het was een enorm politieke organisatie. Iedereen was voortdurend op zijn hoede niemand voor het hoofd te stoten. Van elke mogelijk betrokken afdeling moest er een vertegenwoordiger worden uitgenodigd. En niet zelden kwamen er dan twee. Want binnen die afdeling moesten ook weer koninkrijkjes verdedigd worden.
“Het moet geen Poolse landdag worden.” Toen ik erop begon te letten, merkte ik dat het meer een bezweringsformule was dan een welgemeende intentie. Alsof je, door deze zin uit te spreken, de mantel van bureaucratie van je afwierp. Het was een magisch denken dat verder niet ter discussie werd gesteld. Als je eenmaal had gezegd dat het geen Poolse landdag moest worden, kon je overgaan tot de orde van de dag. Er zaten geen consequenties vast aan zo’n uitspraak. Bij de volgende bijeenkomst zaten steevast weer veel meer mensen dan nodig

Dit bericht is geplaatst in taal, zakelijk. Bookmark de permalink.