Het speurende beest – een bewerking van Arthurverhalen


Dit verhaal heb gemaakt voor de Mythische Marathon van 2019. Thema waren de Arthur-verhalen, mijn opdracht was te vertellen over de draak: Pelionore volgde hem, Arthur kwam hem ook ooit tegen, en het was uiteindelijk aan Palomides om dit wonderlijke wezen te vangen… Over het verhaal schreef ik dit stukje.


Het jongetje was bang voor monsters onder zijn bed, maar hij deed wat zijn vader hem had geleerd. Toen hij mij zag, stapte hij uit bed en liep met uitgestoken hand naar me toe. Hij zei: “Ik ben Adam. Wie ben jij?”
Hij keek me aan en we gaven elkaar de hand. Ik was geboeid.

-*-

Toen jullie er nog niet waren, deed ik maar wat. Niet jullie hier in deze zaal. Maar jullie mensen, hier op aarde. Niet dat ik jullie dat meteen in de gaten had. Zeg nou zelf, ben jij je altijd bewust van de mieren in de tuin? Maar toen ik jullie eenmaal had opgemerkt, begreep ik dat niks meer hetzelfde zou zijn. Jullie gaven me woorden, verhalen. Jullie leerden me redeneren. Dat er wat te ontdekken valt.

-*-

Ypomeneia, de dochter van een koning wilde wraak nemen op haar broer. Ze was verliefd op hem, maar hij wilde niet ingaan op haar avances. Ze bad tot de duivel en sliep met een demon. Ze werd zwanger en beschuldigde haar broer van verkrachting. Hun vader, de koning, veroordeelde hem ter dood: wilde honden verscheurden hem. De prinses baarde mij: een draak. Het was duidelijk dat zij haar broer valselijk had beschuldigd. Ook zij werd gedood. Ik ontsnapte.
Wat het verhaal er niet bij vertelt, is dat ik ook die duivel was. En die demon. Zo, in die nabijheid met Ypomeneia schiep ik leven! Mijn eigen leven nog wel. Ik was creatief geworden. Niets leek mij meer onmogelijk. Maar dat was natuurlijk onzin. Alles hangt met alles samen. Je bent niet zomaar heer en meester over de aarde.

-*-

Mijn geboorteverhaal stamt uit de begintijd, de tijd dat jullie priesters zich met gebeden en offers aan mij probeerden op te dringen. Tegenwoordig dringen jullie geleerden tot mij door. Wat zij, wat jullie voor elkaar krijgen op aarde is indrukwekkend. Een paar zomers op rij verrassend hoge temperaturen op aarde, om maar iets te noemen. Ik leer hier heel veel van.
Tussen de priesters en geleerden waren het ridders die jacht op me maakten.

-*-

Schilderij Marlies Foede

Pellinore was de eerste die ik opmerkte, maar eerder waren er mogelijk al anderen. Maar weer, zeg nou zelf: als mieren met jou contact zouden proberen te maken, merk je die dan op? Als ze te dichtbij komen, als het gaat kriebelen, veeg je ze zonder nadenken weg. Of je drukt ze dood. Pellinore was volhardend. Hij had het in zijn hoofd gehaald dat ik gedood kon worden en dat hij de enige was die daartoe in staat was. Hij had fantasie. Van hem is het verhaal dat ik eruitzie als een monster met een slangenkop en de staart van een leeuw; met jachtluipaardvlekken en poten van een hert. En dat uit mijn buik het lawaai komt als van een meute jachthonden. Hij noemde mij het Speurende Beest. In mijn beleving speurde hij vooral naar mij en niet andersom. Maar het kan best zijn dat ik eens heb opgekeken toen hij er even niet was.
Ik had Pellinores vader en broers gedood. De vijf ridders hadden zich naast elkaar opgesteld op een pad waar ik langskwam. Hun harnassen, wapens en schilden haalden vanzelfsprekend niets uit. Ik merkte ze eigenlijk pas op toen ze al dood waren. Pellinore trok zich dit persoonlijk aan, alsof ik het met opzet, uit kwaadaardigheid had gedaan.

Toen hij ouder werd, trok hij veel op met Palomides. Ze hadden elkaar leren kennen in Jeruzalem, waar Palomides vandaan kwam. Hij had zich bekeerd en was met Pellinore mee teruggekomen. Bekeerlingen kunnen fanatiek zijn en toen Pellinore was gestorven hield Palomides vol: ik was het kwaad en ik moest gedood.
Maar toen Palomides oog in oog met mij stond, aarzelde hij. Hij was uit ander hout gesneden dan Pellinore. Palomides dacht na en probeerde te begrijpen. Ik herkende dat.
Hij vroeg: “Jij doodt en verwoest. Heb je nooit spijt?”
Ik sprak: “Heeft een lawine spijt? Of een droogte?”
“Waarom dood jij onschuldige mensen?”
“Waarom maak je onderscheid tussen schuldig en onschuldig? Ik straf niet.”
Hij legde zijn lans neer en ging zitten. Hij zei dat hij mij een gunst deed door me nog niet te doden en in zekere zin deed hij dat ook. In de gesprekken die volgden, besefte hij dat hij mij niet kon bevatten. Net zoals ze hem niet konden bevatten, al die anderen hier, ver van zijn geboortegrond.
“Ben je niet eenzaam?” vroeg hij.
“Is de aarde eenzaam?” vroeg ik.
Ik moest denken aan de prinses die mij tot zich geroepen had. Dat samenzijn had mij creatief gemaakt. Nu ontstond betrokkenheid. Ik was niet eenzaam, maar ontdekte dat er meer is dan ‘alleen’.

Ik was verrast door Palomides’ houding toen we elkaar weer troffen. Er reden twee ridders met hem. Misschien wilde hij zich bewijzen. Ik gunde hem zijn victorie.
Later zouden de ridders vertellen hoe ze de draak hadden gevonden. Galahad had het geluid van honden gehoord. Het beest stond in een meer, niet ver van de kant. Palomides had het beest met een lans doorboord. Daarop had het luid en angstwekkend geschreeuwd. Hun paarden waren bang geworden en steigerden en werden zo wild dat ze bijna niet in bedwang gehouden konden worden. Toen zakte het Speurende Beest gewond onder water en maakte daar nog lange tijd zoveel lawaai dat het leek of alle duivels uit de hel zich in het meer verzameld hadden. Toen spuwde het beest vuur – een onvoorstelbaar gezicht. Het water werd warmer, tot het uiteindelijk kookte.

-*-

Zoals Ypomeneia mij het leven had laten geven, gaf Palomides mij mijn dood. Creativiteit en betrekkelijkheid. En nu vond Adam mij. Hij liep met uitgestoken hand naar me toe en zei: “Ik ben Adam. Wie ben jij?”
Hij keek me aan en we gaven elkaar de hand. Ik was geboeid.


Creative Commons Licentie
Dit verhaal stel ik beschikbaar onder Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel 3.0 Nederland License.

Reacties zijn gesloten.