Dido’s afscheid


Dit verhaal heb ik gemaakt als inleiding bij Dido’s Lament uit de opera Dido and Aeneas van Purcell.
Meer over aanleiding en de bewerking schreef ik in mijn blog.


Wat valt er nog te zeggen.
Zijn schip is achter de horizon verdwenen.
Misschien keert hij om… Láát hem terugkomen, wie weet ziet hij dan nog de vlammen en de rook van haar brandstapel.

“De plicht roept.”
Dat was het eerste wat hij zei, die ochtend. Als zij, Dido, geen angstig voorgevoel had gehad en niet die ochtend in alle vroegte naar de haven was gerend, dan was hij, Aeneas, vertrokken zonder ook maar iets te zeggen. En toen hij haar zag: “De plicht roept…!”
Niets over ‘jij’, niets over ‘wij’, maar ‘de plicht’! Het was alsof hij een dolk in haar hart stak. “De plicht roept.”
En pas toen hij doorkreeg wat zijn woorden aanrichtten begon hij zich te verontschuldigen, te draaien, stelde zelfs voor om misschien nog even te blijven. “Misschien.” “Nog even.”
Alsof hij de dolk nog eens ronddraaide.

“De plicht roept.”
Dat had hij ook gezegd toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten, zo’n jaar geleden…. was het alweer een jaar geleden? Hij was de haven van Carthago ingevaren. Had gevochten voor Troje, had helden en koningen gediend en had toen de opdracht gekregen naar Italië te gaan. Hij moest daar een stad stichten, Rome. Opdracht van zijn oppergod, Jupiter. En hij was gegaan: de plicht riep. Op zee waren ze in een storm terecht gekomen, uit koers geraakt en bij haar stad hadden ze aangeklopt.
Hij was al snel vertrouwd aan het hof, ging mee op jachtpartijen. En op een van die jachten moesten ze voor noodweer schuilen in een grot. En daar was de vonk overgesprongen. Hij wist te vertellen dat Cupido haar hart had doorboord met een van zijn pijlen. Ach, zijn goden. Zó had ze ze zich al heel lang niet meer gevoeld. Zij, eens prinses in Tyrus. Al lang geleden gevlucht voor de moordenaar van haar man. Hier als banneling aan land gekomen en een nieuw bestaan opgebouwd, wat heet: een nieuwe stad had ze gesticht. Carthago: haar stad.
Als hij het dan weer eens over zijn plicht had, de stad die hij nog moest stichten, had ze gezegd: maar we hebben hier toch al een stad gesticht? Je bouwt mee aan Carthago. Je bent de koning van Carthago. Ook al wilde hij niet trouwen. Ze trok zich niks aan van alle roddels. Als ze maar samen waren.
“De plicht roept.” Ze had er gaandeweg een grapje van gemaakt: “Ja, ja, de plicht roept – kom nou maar.” Hoe had ze ooit kunnen denken dat het voor hem ook een grap was geworden! Die ochtend had hij gezegd dat Mercurius bij hem op bezoek was geweest, de boodschapper van zijn godvergeten goden. Jupiter werd ongeduldig. “De plicht roept.”

Ze zit op het hoogste terras van haar paleis, met uitzicht op zee. Zijn zwaard rust in haar schoot.
Ogen vol tranen bevochtigen steeds weer het scherp van de snede;
Straks niet van geween, straks zal het druipen van bloed.(1)

Al zijn spullen heeft ze hier laten brengen, laten opstapelen. Belinda, haar vertrouwelinge is de enige die ze bij zich wenst. Ze heeft haar laten beloven dat zij als het zover is de brandstapel zal aansteken.

Zijn schip is achter de horizon verdwenen
Wat valt er nog te zeggen.


Gevolgd door: Dido’s Lament
(1) Uit: Ovidius, Dido aan Aeneas, vert. W.A.M. Peters


Creative Commons Licentie
Dit verhaal stel ik beschikbaar onder Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel 3.0 Nederland License.