Poëzie

Sinds ik gedichten uit mijn hoofd ben gaan leren, ben ik ze meer gaan waarderen.

Ik vond gedichten heel lang onhandelbare dingen. De grappige rijmpjes van bijvoorbeeld Daan Zonderland kon ik wel waarderen, maar zodra het ergens over ging, begreep ik het niet meer. Waarom maakten die dichters hun zinnen niet af, zeiden ze niet wat ze bedoelden en wat moest ik met al die beeldspraak?
Tot ik bij een toneelopleiding gedichten uit mijn hoofd moest leren. Remco Camperts “Poëzie is een daad“, Huub Oosterhuis’ “Veel te laat heb ik jou liefgekregen“, “Vier manieren om op iemand te wachten” van Joke van Leeuwen, gedichten van Herman de Coninck en Wislawa Szymborska.
Ik ontdekte dat naarmate je de tekst beter kent en vaker uitspreekt, hij haast vanzelf betekenis krijgt. Eerst schrok ik daar wat van. “Ik hoor hier nu tussen deze zin en die zin een verbinding, maar zoek ik niet te ver?” Of: “Deze woorden klinken als andere woorden verderop in het gedicht, maar is dat niet toevallig?”
Nu ga ik ervan uit dat niets in een goed gedicht er toevallig in staat. De dichter was zich bewust van de associaties, klanken, ritmes in het gedicht.

En dan geldt: hoe beter je de tekst kent, hoe meer je erin blijft vinden.

Dit bericht is geplaatst in lied, schrijver, werkvorm, wijsheid. Bookmark de permalink.