Een verhaal in een jubileumboek (3)

Al een tijdje puzzel ik op een verhaal voor in het jubileumboek van onze kerk. Een spiegelverhaal bij het thema ‘oecumene’: “de eenheid, samenwerking of het onderlinge begrip tussen de diverse religieuze groepen of denominaties binnen een religie” (wikipedia). In het vorige stukje hierover beschreef ik hoe mij langzaamaan een onderwerp voor het stukje duidelijker werd.

Redelijk snel na die vorige blog schreef ik de eerste versie en elke dag heb ik eraan geslepen tot ik het stukje had dat hieronder staat. Ik dacht dat het zo wel klaar was. Dacht ik. Maar er knaagde ook al een tijdje iets. Wat is nu eigenlijk het punt dat ik wil maken? En misschien nog wel belangrijker: de anekdotes die ik beschrijf zijn op zich misschien wel leuk, maar hoe raken ze mij? Vragen die ik niet afdoende kan beantwoorden. Nogal cruciale vragen.

Als iets goed is, kun je het met fijnslijpen beter maken. Maar als het niet goed is, wordt het door fijnslijpen niet beter. Dan kun je beter de botte bijl hanteren en opnieuw beginnen. Weer een gevalletje kill your darlings. Vanmorgen ben ik opnieuw begonnen. Dit stukje komt dus niet in het jubileumboek:

Als organist houd ik natuurlijk van de muziek van Johann Sebastian Bach. Wat kon die man waanzinnig mooie stukken schrijven. En dan bedoel ik echt niet alleen zijn orgelmuziek. Het vijfde Brandenburgse concert bijvoorbeeld. Een concert met een verbazingwekkende clavecimbelsolo erin: virtuoos, vreemd, wat dreigend zelfs. Het zoveelste bewijs dat Bach het summum van de barokmuziek is. Als je dit nog barok kunt noemen. Maar ja, wat anders?
Nou, misschien wel hardrock. Dat hoorde ik laatst op tv: deze clavecimbelsolo was de eerste hardrock in de geschiedenis. Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die zich storen aan zo’n vergelijking: Bachs welhaast goddelijke muziek vergelijken met elektronische herrie. Maar zelf heb ik wel wat met hardrock en ik denk dat Bach best tegen een stootje kan. Die vergelijking gaf mij in elk geval een flits van inzicht. Door deze vergelijking klinkt de solo opeens anders. Het is alsof ik, tegen de achtergrond van wat ik aan hardrock ken, deze Bach-muziek nu beter kan plaatsen. Ik kan het in een bredere context horen. Bach heeft hiermee nog meer allure gekregen: niet alleen hoogtepunt van de barok, maar ook een hardrock-profeet enkele eeuwen zijn tijd vooruit. Een verbreding van de horizon levert nieuwe inzichten.

Het werkt ook andersom. In een kerkdienst speelde ik eens een stuk van Pink Floyd. Een van de kerkgangers, zelf organist en aandachtig en gewaardeerd toehoorder, kwam na afloop naar me toe. Hij complimenteerde me met het stuk: “Was dat niet Duruflé, of een andere Franse impressionist?” Als je oren staan naar specifieke genres orgelmuziek, dan is dát ook wat je hoort. Wat je niet kent, herken je niet.

Ik houd van Bach en Pink Floyd. Ik luister graag naar Stravinsky en naar Led Zeppelin. Ik bezoek cantates, strijkkwartetten en symfonieën. Een wereld, wat zeg ik, tal van werelden aan muziek om te beluisteren, bespreken en bestuderen. Zo blijft mijn smaak zich ontwikkelen. Ik meen zelfs dat mijn orgelspel hierdoor beter wordt. De noten in de bladmuziek zijn niet anders dan twintig of zelfs vijf jaar geleden. Maar ze klinken beter dankzij dat bredere perspectief. Ik ben ervan overtuigd dat mijn, hoe zal ik het noemen, muzikaal oecumenische interesse helpt om van de droge noten geïnspireerde muziek te maken.

Dit bericht is geplaatst in metaforen, muziek, passend, schrijven, verhaal. Bookmark de permalink.